Kerkgeschiedenis

Zoeken naar onderwerpen in meer dan 100 christelijke websites

transparant.jpg
Open zoekscherm

De Vroege Kerk

Actualiteit: Uniek mozaïekvloertje in Jeruzalem gevonden
Read more...
Actualiteit: Onvrije wil? Rome zegt het en daarmee uit
Read more...
Actualiteit: Waarom eerste christenen elkaar begroetten met een heilige kus
Read more...

 

 

Eind jaren 50 tot begin jaren 60 waren een brug tussen de naoorlogse jaren, met haar roep om terug te keren naar de normaliteit en de Beeldenstorm van de late jaren 60: tussen de koudste jaren van de Koude Oorlog en de utopische verwachtingen van 1968. Grote religieuze veranderingen waren reeds onderweg, ook al was nog niet precies duidelijk hoe of wat. De naoorlogse kerkgangopleving kwam tot een eind en in sommige landen daalde de kerkgang al een beetje. De kerkelijke macht en haar morele conservatisme kwam steeds meer onder aanval – meestal nog op indirecte wijze.

 

 

 

In de midden jaren 60 leek voor de Westerse christelijke wereld een tijd van grote verandering aan te breken. Vaticanum II leek de katholieke kerk te gaan hervormen, maar ook grenzen met niet-katholieken te gaan slechten. Nieuwe theologieën, met ‘actie’ in ‘de wereld’ in het vaandel, een ethiek van individuele vrijheid en een positieve blik op de wetenschap vonden support bij vele protestanten. Katholieken en protestanten, politiek betrokken als ze waren, interpreteerden hun activisme nu als een noodzakelijke uitdrukking van hun christelijk geloof. Temidden van de euforie onderschatten veel progressieve christenen de kracht van conservatieve denominaties en conservatieve krachten binnen in hun eigen denominatie. Terwijl de verschillen tussen de verschillende kerkgenootschappen steeds meer aan betekenis verloren, begon de strijd tussen liberalen en conservatieven in de katholieke en de protestantse kerken, en dit zou de kerkgeschiedenis van de laat-20e eeuw gaan bepalen.

De explosieve economische groei en de individuele welvaart van de jaren 60 hebben verreikende gevolgen gehad voor veel aspecten van leven in Westerse samenlevingen, niet in de laatste plaats voor religie. Overwegend christelijke landen gingen in de richting van een religieus pluralisme door de grote schaal niet-christelijke immigratie. De welvaart verzwakte de positie van het christelijk geloof en de kerken op tenminste vier manieren: economische verandering op het platteland ondermijnde de plattelandsculturen die vaak bolwerken van katholicisme waren, waardoor dorpsbewoners onder mee seculiere stedelijke invloeden kwamen te staan. De ontluikende jeugdcultuur zorgde voor een leger van nieuwe mogelijkheden voor adolescenten, en trok hen vaak weg bij aan de kerk gelieerde organisatievormen. Het individualisme claimde het recht om te leven op de eigen manier zonder andermans inmenging. En de samenleving bracht een groot aantal getrainde professionals voort die veel rollen konden overnemen die eerst door priesters, nonnen of andere religieuze werkers werden bekleed. Welvaart legde de basis voor een stemming van innovatie, expansieve optimisme, en soms ook het nemen van risico’s. Het drijfvermogen van de economie was in staat een variëteit van subculturen in de marges van de maatschappij te dragen.

De jaren 60 worden door sommige historici ‘het secularisatie decennium’ genoemd, terwijl anderen het juist een tijd noemen van ‘spirituele opwekking’. Dit contrast zien we in de tegencultuur. Op de korte termijn zien we als meest herkenbare punt dat grote aantallen jonge mensen braken met de kerken waarin ze waren opgegroeid. Op de lange termijn betekende dit dat ze open gingen staan voor een enorme verscheidenheid van nieuwe ideeën. Veel van deze ideeën waren vrij oud, maar tot de jaren 60 waren ze niet wijdverbreid bekend. Zo werd er nieuw leven in geblazen. Populair werd het om elementen uit verschillende tradities en geloven te mixen. Het werd principezaak om iedere vorm van exclusivisme te verwerpen. Een andere erfenis van de jaren 60 is het primaat op de individuele zoektocht van de mens. De voorbijgegane spiritualiteit was vooral ‘dwelling’, nu werd dat ‘seeking’. Deze grote verschuiving vond plaats onder de generatie die geboren is tussen 1944 en 1960.

Aan het eind van de jaren 60 waren de verwachtingen voor snelle en radicale veranderingen in kerk en maatschappij hooggespannen. Christelijke radicalen moesten vaak een dubbele teleurstelling verwerken. Veel van deze radicalen verlieten de kerk. Toch zou het verkeerd zijn de mate van het verlies van de radicalen of de conservatieve heropleving te overdrijven. Velen van hen die door de ideeën en bewegingen van die tijd beïnvloed waren bleven in of keerden terug naar de kerken.

De beweging leed veel ongelukken. Sommigen verlieten haar, maar er bleef ook een nalatenschap achter in de kerk. Ook al vervlogen de utopische verwachten, veel radicale ideeën behielden een plaats in de kerk, hoewel haar plaats wel vaak werd betwist. Anti-racisme, de derde-wereldproblematiek, ecologie en vrede voerden de boventoon op de agenda’s van katholieke en protestantse kerken in de jaren 70 en 80. Theologische en politieke vragen (vaak gerelateerd aan elkaar) verdeelden de kerken diep.

De jaren 60 en 70 waren jaren van crisis voor de kerken in de meeste Westerse landen. Er is onder historici echter geen consensus over wat die crisis nu precies was. Één van de meest gezaghebbende interpretaties van de crisis is van Callum Brown en Patrick Pasture, die geslacht, en vooral veranderingen in het bewustzijn en de identiteit van vrouwen, als het centrum van de crisis zien. Waar vrouwen daarvóór een sleutelrol speelden in het overdragen van het christelijk geloof aan de volgende generatie, was het verval van religieuze participatie door vrouwen in de jaren 60 en 70 van groot gewicht. Het is echter niet zo dat er meer vrouwen dan mannen de kerk verlieten (eerder andersom!). Maar de teruggang van religieuze participatie van mannen was veel minder ingrijpend voor de toekomst van het christendom.

Veel impact hadden de veranderingen op het gebied van seks, geslacht en familie. De focus kwam steeds meer te liggen op het huis en het kerngezin, het ideaal van een ‘kameraadschapshuwelijk’ had veel invloed, en de betekenis van nabuurschap en gebruiken daaromheen ging teloor. De vrouwen- en homobewegingen oefenden machtige invloed uit; ze gaven hun aanhang een complete manier van leven en zorgden er zo voor dat de band met de kerk onder spanning kwam te staan. Het meest raadselachtige aspect van de religieuze omwenteling in deze periode was de rol van de ‘seksuele revolutie’. Er is geen duidelijk bewijs voor dat verwerping van katholieke leringen over anticonceptie op zichzelf een bron van vervreemding van de kerken was. Zij die toch al losser van de kerk stonden voelden zich vrij de leringen van de kerken te negeren, terwijl degenen die in de kerk bleven een grotere vrijheid voor zich opeisten in het hebben van hun eigen mening over ethische (en soms ook dogmatische) kwesties.

De crisis bereikte een extreem hoogtepunt tussen 1967 en 1972, toen er een massale beweging van uittreding van het katholieke priesterschap en stoppen met kerkgang was. In Engeland, waar kerkelijke betrokkenheid al langer laag was, was er een grote teruggang in participatie in de overgangsriten. De belangrijkste oorzaak hiervoor was dat deze mensen voelden dat ze nu moesten kiezen. Ook mensen die wel betrokken waren maar nooit echt geïnteresseerd waren, zagen de kans schoon om nu de kerk te verlaten. Er waren nu immers alternatieve zondagse activiteiten. Er waren veel verschillende redenen voor hen om het kerkgaan op te geven. Het werd een massale beweging; individuele beslissingen werden beïnvloed doordat men van vrienden, buren en familie wisten dat zij in dezelfde richting bewogen. Er groeide nu een geslacht dat maar weinig meer in aanraking kwam met het christelijk geloof.

Vrij algemeen worden de veranderingen in de moraal van de jaren 60 en 70 aangeduid als apocalyptisch. Het dechristianiseerde en liberaliseerde de wetgeving en samenleving. Verbazingwekkend gemakkelijk ging dat. Christelijke conservatieven kwamen in een vertrouwenscrisis terecht, de krachten van de kerkelijke reactie viel stil tijdens de grootste morele en culturele revolutie die ooit gezien is. Nadat eerder al religie een vraag van het individuele geweten was geworden, begon dat nu ook te gelden voor de moraliteit. De Decaloog, die nog kort tevoren het referentiepunt voor overheden en wetten was, verloor haar algehele instemming.

Bron: www.kerkgeschiedenis.web-log.nl